← Alle artikelen

Titel 3. Coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen · Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 2:54 BW

In deze vorm in werking sinds 1 oktober 1997, laatst gewijzigd bij Stb. 1996, 181

1

Een coöperatie en een onderlinge waarborgmaatschappij worden opgericht door een meerzijdige rechtshandeling bij notariële akte.

2

De naam van een coöperatie moet het woord "coöperatief" bevatten, die van een onderlinge waarborgmaatschappij het woord "onderling" of "wederkerig". De naam van de rechtspersoon moet aan het slot de letters W.A., B.A. of U.A. overeenkomstig artikel 56 dragen.

Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl

Uitspraken over artikel 2:54 BW (2)

Conclusies van de A-G (2)

  • Parket bij de Hoge Raad · 20 april 2018

    Curaçaos enquêterecht: wanbeleid vaststellen op feiten van vóór 1 januari 2012

    “Het Hof wijst ten slotte nog op de overgangsregeling bij de invoering van de ‘mini-enquête’ in artikel 2:54 e.v. BW(-NA), de voorloper van het enquêterecht die uitsluitend voor de stichting gold. Ook voor artikel 2:54 BW werd volgens het Hof de algemene regeling van “onmiddellijke werking” door de wetgever destijds voldoende geacht. Uit deze verwijzing naar de voordien geldende overgangsregeling bij de mini-enquête blijkt mijns inziens dat geen sprake is van een diepe breuk, maar wordt een lijn die was ingezet door de wetgever voortgezet of doorgetrokken (zie hiervoor nr. 3.2 over voorlopers van de enquêteregeling onder oud recht). Onder die omstandigheden leent het beginsel van onmiddellijke werking zich in het bijzonder voor toepassing (zie ook nr. 3.5 hiervoor).”

    r.o. 3.23

    “[…] nieuw Burgerlijk Wetboek uit 2004 en als volgt luidt: Artikel 2:55 eerste lid onder b BW(-NA) bepaalde dat bij een stichting op verzoek van het OM of een belanghebbende (of bij een stichting particulier fonds uitsluitend op verzoek van het OM) een bestuurder door de rechter ontslagen kon worden indien naar het oordeel van de rechter uit het rapport van de onderzoeker in de zin van artikel 2:54 lid 6 BW(-NA) bleek dat de bestuurder zich schuldig had gemaakt aan kennelijk onbehoorlijk bestuur of dat zijn optreden als zodanig aan een behoorlijk functioneren van het bestuur in de weg stond. Deze mini-enquêteregeling bij de stichting is met de invoering van een algemene enquêteregeling per 1 januari 2012 geschrapt. Uit het overgangsrecht bij de invoering van de mini-enquête trekt het Hof mijns inziens terecht de conclusie dat ook daar de algemene regel van de “onmiddellijke werking” gold (bij het vaststellen van kennelijk onbehoorlijk bestuur van de stichtingsbestuurder). Indien de rechter echter een sanctie aan de bevindingen in het onderzoeksrapport in de zin van ontslag van de stichtingsbestuurder wilde verbinden gold op grond van artikel 37n van de Landsverordening […]”

    r.o. 3.25

    ECLI:NL:PHR:2018:742

  • Parket bij de Hoge Raad · 21 december 2018

    Curaçaose enquête: anterieure feiten en reikwijdte van het bevolen onderzoek

    “In het cassatieverzoekschrift wordt onder randnummer 19 sub f verwezen naar de zogenoemde mini-enquête van art. 2:54 e.v. BW-NA (oud), de voorloper van het Curaçaose enquêterecht die uitsluitend gold voor de stichting en de stichting particulier fonds. De mini-enquête trad in werking per 1 maart 2004 en is afgeschaft bij gelegenheid van de invoering van de algemene wettelijke enquêteregeling per 1 januari 2012. Voor de mini-enquête gold ook het overgangsrechtelijke regime van de onmiddellijke werking. In art. 37n van Titel 2A Landsverordening overgangsrecht nieuw Burgerlijk Wetboek uit 2004 was echter een specifieke overgangsbepaling opgenomen die luidde dat . Bij de mini-enquête bleven anterieure feiten dus buiten beschouwing bij het verbinden van de sanctie van ontslag van de stichtingsbestuurder die zich schuldig had gemaakt aan kennelijk onbehoorlijk bestuur. De specifieke uitzondering van art. 37n gold niet voor het onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de stichting in de zin van art. 2:54 BW-NA (oud). Een overgangsrechtelijke bepaling vergelijkbaar met artikel 37n voor de mini-enquête ontbreekt bij de invoering van het algemene enquêterecht per 1 januari 2012. […]”

    r.o. 3.5

    ECLI:NL:PHR:2018:1513