Titel 3. Coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen · Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 2:58 BW
In deze vorm in werking sinds 1 november 2015, laatst gewijzigd bij Stb. 2015, 349
Jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar, behoudens verlenging van deze termijn met ten hoogste vier maanden door de algemene vergadering op grond van bijzondere omstandigheden, maakt het bestuur een jaarrekening op en legt het deze voor de leden ter inzage ten kantore van de rechtspersoon. Binnen deze termijn legt het bestuur ook het bestuursverslag ter inzage voor de leden, tenzij de artikelen 396 lid 7, of 403 voor de rechtspersoon gelden. De jaarrekening wordt vastgesteld door de algemene vergadering die het bestuur uiterlijk een maand na afloop van de termijn doet houden. Artikel 48 lid 2 is van overeenkomstige toepassing. Vaststelling van de jaarrekening strekt niet tot kwijting aan een bestuurder onderscheidenlijk commissaris.
De opgemaakte jaarrekening wordt ondertekend door de bestuurders en door de commissarissen; ontbreekt de ondertekening van een of meer hunner, dan wordt daarvan onder opgave van reden melding gemaakt.
De rechtspersoon zorgt dat de opgemaakte jaarrekening, het bestuursverslag en de krachtens artikel 392 lid 1 toe te voegen gegevens vanaf de oproep voor de algemene vergadering, bestemd tot behandeling van de jaarrekening, te zijnen kantore aanwezig zijn. De leden kunnen de stukken aldaar inzien en er kosteloos een afschrift van verkrijgen.
Ten laste van de door de wet voorgeschreven reserves mag een tekort slechts worden gedelgd voor zover de wet dat toestaat.
Onze Minister van Economische Zaken kan desverzocht om gewichtige redenen ontheffing verlenen van de verplichting tot het opmaken, het overleggen en het vaststellen van de jaarrekening. Afdeling 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op deze verzoeken tot ontheffing.
Huidige tekst, volgens de laatst gepubliceerde versie van Boek 2 BW (1 juli 2026) · wetten.overheid.nl
Uitspraken over artikel 2:58 BW (1)
Het lid volgt uit de rechtsoverwegingen; een uitspraak kan onder meer leden staan.
Conclusies van de A-G (1)
Artikel 2:248 BW: te late deponering jaarrekening, onbelangrijk verzuim, tegenbewijs en matiging
“Op grond van het bovenstaande kan het onderdeel niet slagen. [eiseres] c.s. zouden er overigens ook niet veel baat bij hebben gehad als uit het bovenstaande was gebleken dat het hof niet tot het oordeel had kunnen komen dat [eiseres] c.s. met de toezending van de jaarrekening over 2003 aan de KvK niet aan hun publicatieverplichting hadden voldaan. In cassatie staat immers vast dat de door [eiseres] c.s. aan de KvK toegezonden jaarrekening over 2003 niet voldeed aan de daaraan te stellen vereisten: de datum van vaststelling (vereist op grond van art. 2:394 lid 1 BW) en de handtekening van [eiseres 3] (vereist op grond van art. 2:58 lid 2 BW) ontbraken. Het wettelijke vermoeden van art. 2:248 lid 2 BW geldt steeds indien het bestuur niet heeft voldaan aan de op grond van art. 2:394 BW op het bestuur rustende verplichtingen, ongeacht welke verplichting uit art. 2:394 BW niet is nagekomen. Het vermoeden geldt dus ook voor het geval waarin de jaarrekening wel openbaar is gemaakt, maar de dag van vaststelling ontbreekt. Onderdeel II – Een “onbelangrijk verzuim” in de zin van art. 2:248 lid 2 BW”
r.o. 3.16 · lid 2